Komt dat zien, komt dat zien...

pag-52--img_1804.jpg

Meneer Giori was op het eerste gezicht een wat stijve saaie man die nooit tijd had voor een praatje. Hooguit een voorzichtig knikje, meer was niet te verwachten. Samen met Anna zijn vrouw, deelde hij achttien jaar een voorspelbaar leven. 's Morgens om precies acht uur sloot hij de voordeur, bestudeerde de lucht om te beoordelen of hij zijn paraplu paraat moest houden, balanceerde twee keer op één been – eerst links, dan rechts – om zijn schoenen een laatste poetsbeurt via zijn broekspijp te geven en kwam dan eindelijk in beweging. De kleine gezette man dwong respect af. Dat kwam door zijn zwarte glimmende schoenen met daarboven een zwartgrijs gestreepte pantalon en een onberispelijk grijze regenjas. Hij had iets van een notaris of een dokter, maar het kon ook een doodgraver zijn ware het niet dat hij in zijn ene hand een aktetas hield en in zijn andere een paraplu.
Statig liep hij  naar het station om daar om zestien over acht in de trein te stappen die hem naar de stad zou brengen. Zesendertig arbeidzame jaren lang, dag in en dag uit, boog hij zich over de cijfers. Tot die ene opmerkelijke dag.

Anna liep voor de derde keer de route naar het station. De stationschef had twee keer eerder duidelijk gemaakt dat er geen vertragingen of storingen waren, dit keer schudde hij slechts ontkennend zijn hoofd. Vertwijfeld nam Anna plaats op een bankje
'Hij heeft nog nooit overgewerkt,' mompelde Anna.
'Nooit overgewerkt? Misschien is hij stappen met collega's,' antwoordde de stationschef en bood haar een kop thee aan.
'Nee, nee, dat vindt hij weggegooid geld.'
'In dat geval wil ik u natuurlijk niet ongerust maken, maar misschien heeft hij een liefje in de stad.'
Ze verslikte zich bijna in de thee en schaterde het uit.
'Vrouwen vindt hij nóg duurder dan collega's. Nee, daar maak ik mij geen zorgen om.' 
'Bent u al bij de politie geweest?'
'Die vonden het zeer verdacht maar kunnen niets doen. Ik moet over vierentwintig uur nog eens terugkomen.'
'Maar dit is echt niks voor mijn Vinnie? U kent hem toch?'
De stationschef knikte en bood zijn zakdoek aan toen ze begon te snikken.
'Als u eens gewoon naar huis gaat, er zal vast een verklaring voor zijn.'
Maar thuis kwamen de muren op haar af. Alles had ze afgestoft en gestofzuigd. Ze pakte de wasmand en hing de afgehaalde was voor de derde keer opnieuw te drogen. Opeens bonsde haar hart in de keel en vielen de wasknijpers uit haar mond. In het licht van de straatlantaarns zag ze iemand op straat die ze herkende aan zijn beweging. Ze knoopte haar gebloemde schort los en liep voorzichtig in zijn richting tot ze met een schok stilstond. Dat kon Vinnie niet zijn, het leek meer op de schoorsteenveger.
'Hallo lieverd.'
Hij kuste haar gepassioneerd bovenop haar mond en liep snel door. Over zijn schouder hing een lange tros touw en in zijn linkerhand hield hij een meterslange stok.
'O ja,' hij draaide zich om en keek haar glimlachend aan, 'ik heb een tijdje vakantie.'
Geschrokken van zijn abnormale gedrag, volgde ze op enkele meters en zag hem naar de achterkant van het huis lopen waar hij verdween in de oude schuur. Het licht ging aan en de deur werd vergrendeld.
'Moet je niet eerst wat eten?' riep Anna
Hij deed alle stoffige gordijntjes dicht en gaf geen antwoord.
'Moet je niet eerst wat anders aantrekken?'
Ze hoorde een dansend krassend geluid dat overging in de circusfanfare uit Fellini's La Strada.
Maar dat is die plaat die we voor ons huwelijk hebben gehad, dacht Anna. En hij wilde die herrie nooit in huis hebben. Aan de rand van een zenuwinstorting liet ze haar tranen de vrije loop. 
De hele nacht bleef het licht aan en klonk de circusfanfare afgewisseld door enkele krachttermen en kreten van pijn. Steeds meer mensen verzamelden zich nieuwsgierig voor het huis. Vanachter de gordijnen zocht Anna naar bekenden in de hoop haar hart te kunnen luchten. Na een week werd het haar teveel. Met schrik zag ze de plank doorzakken waarop haar geïmproviseerde tuintje stond. Sommige brutale belangstellenden stonden er bovenop en probeerden door het schuurraam te gluren. Op een avond, het was met enorm kabaal van glasgerinkel, stak de meterslange stok door het raam naar buiten. Van schrik zette iedereen het op een lopen.    
Ondersteund door enkele thee drinkende vriendinnen, werd Anna volledig ontdaan op de bank neergezet om tot rust te komen bij een kopje melissethee. Maar ontspannen was onmogelijk.
Met enige regelmaat werd de woonkamer nerveus geaccentueerd door een blauw zwaailicht. De zwaarlijvige commissaris worstelde zich uit de politieauto en zette een roeptoeter aan zijn mond.
'Achteruit! Achteruit, zeg ik.'
Hij draaide zich om en richtte zijn aandacht op het huis..
'Meneer Giori! Wilt u onmiddellijk stoppen met uw bezigheden!'
Er viel een stilte die werd onderbroken toen opnieuw de circusfanfare klonk.
Hij kreeg een rood hoofd en blies boos in de toeter.
'Meneer Giori!... Hoort u mij?... “
Dit heb ik nog nooit meegemaakt. Ik ga eerst maar eens praten met de burgemeester, misschien weet hij een oplossing. Om nog iets van zijn autoriteit te redden, zette hij de sirene aan en reed weg. Die nacht rond half twee leek het erop dat het bezoek van de commissaris niet voor niets was geweest. Het werd muisstil.
Anna, eenzaam in haar bed, hoorde de achterdeur en voetstappen op de trap. Ze kroop iets dieper onder de deken en deed alsof ze in diepe slaap was. Ze bewoog op en neer toen iemand op het bed naast haar ging zitten en hoorde hoe hij zich uitkleedde. De wekker werd ingesteld en iemand schoof naar haar toe en kuste haar op de wang. Ze slikte en knipperde met haar ogen. Het kon alleen maar Vinnie zijn, maar dan wel die andere Vinnie.
   
's Morgens om half vier liep de wekker af, ze had nog geen oog dicht gedaan. Meneer Giori stond direct naast het bed, gooide het raam open, nam een paar keer diep adem en begon een serie kniebuigingen. Na een douche trok hij schone kleren aan en nuttigde een dubbele boterham met aardbeienjam en een glas melk. Kwart over vijf. Hij trok zijn overjas aan en nam uit zijn binnenzak een dikke enveloppe en plaatste die op het tafeltje in de gang. Dit keer verliet hij het huis met een koffer in de ene hand en de lange stok in de andere. Over zijn schouder droeg hij het opgerolde touw.
Anna had hem gehoord maar werd door de geluiden meegenomen in een diepe slaap. Twee uur later werd er ongeduldig aangebeld en op de deur gebonsd. Ze had haren als medusa en enorme wallen onder haar ogen.
'Kan het wat minder?' riep ze hangend uit het bovenraam tegen tegen de krantenjongen.
'Wat moet je?'
'Er gebeuren gekke dingen op de markt. U moet snel komen.'
'Gekke dingen? Daar ben ik langzamerhand aan gewend.'
Ze sloot het raam en kroop weer onder de dekens. Opnieuw werd er op de deur gebonsd.
'Het is meneer Giori!' schreeuwde de jongen.
Ze stond direct naast het bed en trok een kamerjas aan. Op haar slippers liep ze met grote stappen naar de markt. Het hele dorp leek te zijn uitgelopen, iedereen had de blik gericht op de kerktoren. Bijna allemaal droegen ze nachtkleding. Sommigen hadden een kamerjas aangetrokken of gewoon een deken omgeslagen. De burgemeester onderscheidde zich van de rest door zijn slaapmuts, toch leek het alsof iedereen op dat moment gelijk was. Behalve meneer Giori, die keek op iedereen neer.
Hij stond zich, staande op de torentrans, te concentreren op het touw dat was gespannen tussen gemeentehuis en kerk. Anna drong zich door de menigte naar voren en kreeg een angstig voorgevoel. Dat werd extra versterkt door een krassend geluid en de daarop volgende klanken van de ondertussen bekende circusfanfare.
Het werd muisstil toen meneer Giori bovenop de torentrans ging staan, niemand klapte of riep bravo, het was te onwerkelijk. Hij trok zijn regenjas en colbert uit en rolde de mouwen op. Zittend op de rand van de balustrade trok hij zijn schoenen en sokken uit en gooide ze naar beneden.
Anna kon er niet meer tegen en viel op haar knieën.
'Vincenzo! Kom naar beneden, doe het niet, ik smeek je, stop met die onzin. Alsjeblieft!'
Hij bleef recht voor zich uitstaren en haalde uit zijn zak een poeder waarmee hij zijn handen inwreef. De muziek stopte. Hij klom terug en zette de plaat opnieuw op, hield de stok overdwars voor zijn borst, schoof de eerste voet over het touw en plaatste daarna de andere erachter.
'Vincenzo, ik hou van je!' riep Anna, waarop het publiek haar tot stilte maande.
Onverstoord liep hij stap voor stap op grote hoogte richting gemeentehuis, het touwde veerde bij iedere stap gevaarlijk op en neer. Uit voorzorg week het publiek beneden uiteen.
Waar niemand rekening mee had gehouden, ook meneer Giori niet, was de kerkklok die acht keer sloeg om acht uur. Toen bleek het nut van de lange stok. Door de schrik verloor hij bijna zijn evenwicht, het duurde een eeuwigheid voordat hij zich voorbeeldig herstelde. Het publiek reageerde met een kreet van opluchting. Toen hij de overkant bereikte bleef het bladstil tot iemand opeens 'Bravo! Bravo!' begon te roepen. Toen klonk onder het uitroepen van zijn naam een luid applaus. Trots keek hij naar beneden, boog diep en zwaaide enthousiast. 
'Mijn Vinnie, dat is mijn Vinnie,' verkondigde Anna aan iedereen.

Vanuit de hoogte zag hij een lange kleurige stoet vrachtwagens naderen. Hij liep door een haag van pyjamamensen met zijn stok terug naar de kerk waar hij eerder die ochtend zijn koffer had klaargezet. Op hetzelfde moment draaide de eerste auto van de stoet vrachtwagens de markt op. Een gehandschoende hand stak door het raam en kneep in de rubberen bal van een toeter. Aangekomen bij de kerk stopte de auto met een harde knal en er spoot een wolk van gekleurde confetti in de lucht. Krakend ging de deur van de voorste auto open.
'Kom op Balancine, we zijn al laat. Leg je stok achterin en wegwezen.'
Het was een chagrijnige clown in een zwart-wit geblokte jas met daaronder enorme rode lakschoenen. Ongeduldig pakte de clown zelf de stok en gooide hem achterin de vrachtauto.
Hinkend probeerde hij zijn schoenen aan te krijgen en nam met losse veters plaats naast de clown. Krakend duwde de clown de auto in de versnelling. Anna zag de rij auto's de hoek omgaan en werd overvallen door gevoelens van verdriet en verraad. De stationschef had gelijk, hij had inderdaad een nieuwe liefde in de stad gevonden: het circus.

Door de klap waarmee ze de voordeur achter zich dichtgooide, viel de enveloppe van het tafeltje. Er zat geld in, veel geld, geen bedankje of afscheid. Ze wist onmiddellijk wat haar te doen stond. Ze gooide de koffer op het bed en vulde deze met de noodzakelijkste dingen.
Balancine? Is hij helemaal besodemieterd, dacht ze, wat denkt hij wel? Ik was toch zeker zijn  dienstmeid niet. Als ik Balancine in mijn vingers krijg. Al moet ik er de wereld voor afreizen.