Sunset

pag-82--img_1912.jpg

Iemand had een uitgedroogd pistoletje achtergelaten in de asbak. Ik had de neiging om het plastic geval in één grote zwaai over de balustrade te gooien. Ver weg, de azuurblauwe zee in, voer voor krijsende meeuwen of onzichtbare vissen. In plaats daarvan pakte ik de asbak op en liep met gestrekte arm het café in, waar ik het met een harde klap op de bar neerzette.

Het meisje achter het buffet bladerde rustig verder in de glossy voor haar. Ik trommelde met mijn vingers op het gladde hout, tot ze uiteindelijk opkeek. Haar zwartomrande ogen namen me verveeld op, ze volgde mijn blik omlaag. Onverwacht snel schoten haar felblauwe nagels naar voren en griste ze de asbak weg.
‘Een campari, graag.’ Hoewel ik al uren niets had gegeten, had de aanblik van het pistoletje me de eetlust ontnomen. Het meisje schoof het glas naar me toe en boog zich opnieuw over haar tijdschrift. Ik liep naar buiten, waar de blauwe stoeltjes hun beste tijd hadden gehad en het formica tafeltje vol koffievlekken zat. De meubels vormden lange schaduwen op het terras. Ik keek op mijn horloge. Half vijf. De zon was haar kracht nog niet kwijt, ze verwarmde mijn gezicht, de frisse zeebries die door mijn haar speelde bracht maar weinig verkoeling.  Met mijn tong likte ik het zout van mijn mond voor ik een slok nam. Mijn lip trok samen door de alcohol. De bekende, bitterzoete smaak voerde me terug naar ons afscheid. Was dat echt pas een maand geleden?

‘Ik heb ruimte nodig,’ had Mario gezegd.
‘Waarom?’ vroeg ik. ‘Ik zit je toch niet in de weg? We kunnen samen gaan. Jij kunt wandelen, schetsen, schilderen – wat je wilt, ik vermaak me wel.’
Mario schudde zijn hoofd en keek me aan. Zijn ogen leken nog donkerder dan anders. ‘Ik heb tijd nodig. Nieuwe inspiratie vinden - daarvoor moet ik alleen zijn.’
Terwijl de angst hem te verliezen me insloot als een scherpschutter die zijn prooi in het vizier houdt, nestelde ik me tegen hem aan. Na vier weken zouden we elkaar op het eiland treffen om er samen een laatste week door te brengen. Met een lach op mijn gezicht had ik hem uitgezwaaid. In de eerste bar op de terugweg naar een leeg huis had ik mijn tranen weggeslikt met een campari.

Een vale lapjeskat streek langs mijn benen, ik schrok op. De ijsklontjes draaiden rond in mijn glas, de dieprode drank geleidelijk lichter kleurend. Ongedurig draaide ik me om.
De veerboot die me eerder op de dag naar het eiland had gebracht, was zo goed als verlaten geweest. Tegen de reling leunde een ouder echtpaar. Ze voerden kleine stukjes brood aan de meeuwen die de veerboot inhaalden. De kille zeewind had kippenvel op haar armen tevoorschijn doen komen, zonder een woord te zeggen had de man zijn vest uitgetrokken en om haar schouders gehangen. Ik draaide me om, duwde mijn tanden in mijn lip tot ik bloed proefde. Tegen beter weten in had ik naar de kust gestaard. De haven kwam snel dichterbij. Slechts een paar toeristen onderscheidde ik, vol bepakt en klaar voor de terugreis naar het vastenland.

Met een taxi was ik rechtstreeks naar het dorpje gereisd waar Mario logeerde. Ik klapte mijn mobieltje open en staarde opnieuw naar zijn sms-je. ‘Kan je helaas niet ophalen. Kom naar café Sunset, zie je daar.’ Het berichtje had me bereikt toen de veerboot al was vertrokken. Zou ik gekomen zijn als ik Mario’s berichtje eerder had ontvangen? Ik twijfelde.
Zonder Mario hadden de eerste dagen eindeloos geduurd. Onwennig liep ik door zijn atelier, waar de geur van acrylverf langzaam vervaagde. Sneller dan verwacht vond ik een eigen ritme. Ik at met het bord op schoot voor de tv, zapte zonder schuldgevoel langs spelprogramma’s en genoot van landschapopnames in de Engelse detectives die Mario altijd als oppervlakkig had bestempeld. In een opwelling boekte ik een weekendreis naar Yorkshire. Achteraf bezien was dat het keerpunt geweest. Tijdens de urenlange wandelingen had ik tijd genoeg gehad om na te denken. Wat zich had aangediend als een vage intuïtie was langzaam gerijpt.

Achter me hoorde ik slepende stappen. Ik draaide me half om, het barmeisje was naar buiten gekomen. Haar spijkerbroek vertoonde meerdere scheuren, het blauwe bloesje werd met twee veiligheidsspelden bij elkaar gehouden. Met haar donkere, verwarde krullen deed ze me denken aan één van Mario’s modellen. Vijandig staarde ze naar mijn halfvolle glas voor ze de stoelen luidruchtig op elkaar stapelde. Het lawaai ging half verloren in het geruis van de golven onder me. Ik controleerde opnieuw de tijd. Iets over vijf. Waarom was Mario hier niet? Dadelijk ging dit café dicht, en dan? Ik leunde achterover tegen het hekwerk, draaide me toen terug naar de zee. De alcohol op mijn lege maag deed me geen goed,  zwarte vlekjes dansten voor mijn ogen. Waarom liet Mario me hier zomaar zitten?  Ik was loyaal aan de afspraak die we weken geleden hadden gemaakt, maar misschien was het beter geweest elkaar in Nederland te treffen? Ik zuchtte, alsof ik daarmee de onzekerheid die  me bekroop kon verdrijven. Ik moest de confrontatie met Mario aangaan.
Had deze reis Mario gebracht wat hij ervan verwachtte? Op een enkel kort sms-je na hadden we geen contact gehad. We konden een gesprek niet langer uitstellen. Ik staarde naar twee zeemeeuwen, die als steeds kleiner wordende stippen om elkaar heen cirkelden, tot ze uiteindelijk ieder hun eigen weg kozen.  

‘Blijft u hier nog lang?’,  vroeg het meisje in gebroken Engels. ‘Ik wil het terras afsluiten.’
‘Ik wacht op iemand,’, antwoordde ik. Zou zij Mario kennen? Hij was hier vast regelmatig geweest, de afgelopen weken. Het deed er niet toe, ik hoefde het niet meer te weten. In één teug  sloeg ik het laatste bodempje campari achterover en stak haar het glas toe. ‘Ik wacht wel bij de weg.’
Over een smal pad liep ik met grote stappen naar de voorkant van het café. Even verloor ik mijn evenwicht, haalde mijn hand open aan één van de cactussen langs het gebouw. In mijn broekzak vond ik een papieren zakdoekje, waarmee ik de paar druppels bloed wegveegde voor ik verder liep. Het pad kwam uit op de kustweg, die zich doods uitstrekte naar beide kanten. Ik zette mijn rugzak op de grond en ging erop zitten. Opnieuw klapte ik mijn mobieltje open. Tevergeefs zocht ik naar een bericht van Mario, een aanwijzing of een adres. Ieder spoor was al bij voorbaat uitgesloten door de radiostilte die we hadden afgesproken.

De knetterende scooteruitlaat  kondigde zijn komst aan lang voordat het gele gevaarte de hoek omdraaide. Veel te snel kwam ik overeind, sterretjes dansten voor mijn ogen. De gedrongen gestalte van de bestuurder leek in niets op Mario, teleurgesteld wilde ik weer gaan zitten, toen hij vlak voor me stopte. ‘Jij moet Linda zijn,’ constateerde hij buiten adem.
Ik knikte, kreeg niet de kans om iets te vragen.
‘Ik ben Giorgio, een vriend van Mario. Je kunt beter meekomen. Er is een ongeluk gebeurd,  hij is naar het ziekenhuis gebracht. Klim snel achterop, dan breng ik je naar hem toe.’
De duizeligheid kwam in volle hevigheid terug. Ik wankelde, Giorgio pakte mijn arm en installeerde me achterop de scooter. Een stalen band sloot zich langzaam om mijn maag. Ik zocht een steun, sloeg tenslotte aarzelend mijn armen om de onbekende man. Zijn middel voelde zacht aan, sponsachtig. Anders dan Mario’s strakke lijf. Ik onderdrukte de neiging mijn hoofd tegen zijn rug te laten rusten. Vragen tolden door mijn hoofd. Wat was er gebeurd, hoe was Mario er aan toe? Was het ernstig? Naar welk ziekenhuis gingen we eigenlijk? Hoe kon ik met Mario praten als hij in het ziekenhuis lag? Het geratel van de uitlaat maakte elk gesprek onmogelijk, ik zette me schrap in de talloze bochten die genomen werden met een snelheid die aan ware doodsverachting grensde.

Het vissersdorpje maakte plaats voor een rij appartementen, afgewisseld door supermarktjes en autoverhuurders. Uiteindelijk naderden we de buitenwijken van de hoofdstad waar Giorgo voor een hoog, okerkleurig gebouw stopte. Nog voor hij de motor had uitgezet, was ik al afgestapt en naar binnen gelopen. Giorgio rende achter me aan, haalde me bij de receptie in en ratelde nerveus tegen een van de verpleegsters. Ze verwees ons naar een paar plastic stoeltjes even verderop in de gang. ‘U kunt daar wachten.’ Vanuit de gang steeg een scherpe geur van ontsmettingsmiddelen op.
Giorgio nam nog steeds hijgend plaats naast me. ‘We waren aan het zwemmen,’ legde hij uit. ‘Tot Mario ineens niet meer boven kwam. Ik heb net zo lang gedoken tot ik hem vond en hem mee naar de kant getrokken. In de ambulance zijn ze begonnen met reanimeren. Ik wilde je niet direct ongerust maken, dus heb je met zijn telefoon een berichtje gestuurd. ’Ik liet zijn woorden op me inwerken en staarde naar het zwart-wit geblokte marmer op de vloer.
Een arts schoot voorbij, Giorgio sprong op en de mannen wisselden een paar woorden, waarna de dokter gehaast doorliep.
‘Ze zijn nog met hem bezig. Het kan nog wel een tijd duren.’
De campari in mijn maag kwam omhoog, ik slikte, kon het zuur nog net binnenhouden. Giorgio zag mijn gezicht, liep zonder iets te zeggen weg.

Ik leunde met mijn hoofd in m’n handen. Mario had me dus wel willen ophalen bij de veerboot. Had hij zich verheugd op ons weerzien? Of was hij tot dezelfde conclusie gekomen als ik? Ik wilde er niet over nadenken.
Een hand op mijn schouder deed me opschrikken. Met een verlegen glimlach stak Giorgio me een broodje toe. ‘Hier – een pistoletje met kaas, het zal je goeddoen wat te eten’. Ik nam een hap, proefde de flauwe kaassmaak maar kreeg het droge brood amper weg. Ik haalde mijn schouders op en legde het broodje op de stoel naast me. ‘
Zwijgend zaten we naast elkaar. Door de gang liep het personeel heen en weer. Klikkende hakjes, het gebonk van stoere mannenschoenen. Een enkeling kwam op ons af, schudde Giorgio de hand en begon een kort gesprek, dat steevast eindigde met steelse, meewarige blikken naar mij. Buiten werd het donker, in de tl-verlichting verbleekte Giorgio’s gezicht tot een witte vlek.
Nog onverwacht stond de arts voor ons. De blik op zijn gezicht, de afhangende schouders zeiden genoeg, de woorden die van ver leken te komen drongen niet meer tot me door. Naast me gooide Giorgio een stoel om. Door een waas van tranen zag ik het half opgegeten pistoletje over de granieten vloer rollen.